Registreren
We sturen je per e-mail een wachtwoord toe. Soms komt deze e-mail in je spambox terecht.

Nederland wil jaarlijks 60 miljoen euro extra uitgeven om de jeugd in het Midden-Oosten betere perspectieven te bieden, maar wil de rond 175 onschuldige Nederlandse kinderen, waar ze een zorgplicht voor heeft – hoe pijn dat ook doet – niet terug halen; die moeten dan maar zelf zien hoe ze zich weten te redden. Zo leek het tot nu toe. In de afgelopen weken zijn er echter duidelijke signalen te horen, dat dit aan het veranderen is.

De benaming is niet correct, maar laten we ze voor het gemak even “Kalifaatkinderen” noemen. De Nederlandse regering had die kalifaatkinderen, in officiële stukken meestal “Child Returnees” genoemd, allang terug hebben kunnen halen. Met grote waarschijnlijkheid weet het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) precies welke vrouwen van welke Jihadstrijders waar in Syrië of Irak zitten en dat geldt met zekerheid ook voor een land als Frankrijk wiens Soldaten in Noord-Syrië gestationeerd zijn. Dus dan weten de Nederlandse geheime diensten dat ook. Als Nederland zelf niet in staat zou zijn deze vrouwen en kinderen naar Nederland te halen, zou het zeker een beroep kunnen doen op de diensten en hulp van bevriende staten. Maar Nederland had geen tijd eigenlijk. Eerst waren er 2015 provinciale verkiezingen en 2017 ook Tweede Kamerverkiezingen en met de kabinetsformatie van 225 dagen de langste in de Nederlandse geschiedenis. Daardoor zijn er vanaf 2015, dus in de afgelopen drie jaar bewust geen onpopulaire besluiten genomen die de gemoederen in de bevolking zouden kunnen opschudden.

Juridisch is het zonneklaar dat de Nederlandse regering een zorgplicht heeft voor deze kinderen

In de tijd dat veel moslimjongeren naar Syrië zijn vertrokken met hun koffertjes als toeristen die op vakantie gingen, stonden de meeste Europese regeringen daar nog min of meer radeloos tegenover, maar er is in een paar jaar een boel veranderd. Alle Europese landen zijn intussen wel degelijk voorbereid op de terugkeer van jihadisten. Ook Nederland, hoewel dat door de politici in Den Haag nog niet openlijk wordt toegegeven. Juridisch is het zonneklaar, dat de Nederlandse regering een zorgplicht heeft voor kalifaatkinderen en de taak heeft hen begeleid naar Nederland te laten terugkeren. Deze verplichtingen ten aanzien van de kinderen vloeien voort uit het internationale Kinderrechtenverdrag, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en een flink aantal andere juridische instrumenten, waaronder die op het vlak van het nationaliteitsrecht. En Nederland is notabene initiator van het zogenaamde “The Hague-Marrakech Memorandum” van 2015 van het Global Counterterrorism Forum met een lange lijst “goede praktijken” voor een effectievere reactie op het zogenaamde FTF-fenomeen (Foreign Terrorist Fighters) met een focus op terugkerende FTF’s. Praktisch tegelijkertijd met het verschijnen van het Memorandum in 2015 zei Premier Mark Rutte tijdens het RTL-verkiezingsdebat voor de provinciale verkiezingen, dat Nederlanders “die als jihadist naar Syrië of Irak uitreizen beter daar kunnen sneuvelen dan dat ze terugkomen naar Nederland”, De Partijleiders Sybrand Buma (CDA) en Alexander Pechtold (D66), reageerden verontwaardigd. Maar intussen zitten deze partijen in het nieuwe kabinet en niet meer in de oppositie en klinkt het anders. In het TV-programma “Pauw” afgelopen mei vond echter Minister van Justitie en Veiligheid, Ferdinand Grapperhaus, “het verschrikkelijk verkeerd dat die kinderen zich in dit soort gebieden bevinden” en hij zei dat hij al geruime tijd met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTV) aan het onderzoeken is hoe dat nou precies ligt, en hoe Nederland op een veilige wijze zou kunnen verwezenlijken dat die kinderen zouden kunnen terugkeren. “Kinderen moeten daar weg, die moeten niet in zo’n kamp zitten” zo de CDA-man, die al een dag later door Premier Rutte werd teruggefloten. „Het is te gevaarlijk om ze daar actief weg te halen”, zo de premier. De “Telegraaf” titelde op 16 mei meteen “Minister zat fout: geen IS-kinderen ophalen” en verschillende politici uitten zich opgelucht, dat “het kabinetsbeleid toch niet verandert”. Maar welk beleid?

Het weigeren van kalifaatkinderen is in strijd met het regeerakkoord

Met het regeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie van het kabinet Rutte III zijn ook een aantal interessante nieuwe stukken geschreven. Zo onder andere de Beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) die aansluit op de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie 2018-2022 (GBVS), de Defensienota en het Integrale Migratiebeleid. In het kader van de Veiligheid voor Nederland en Europa verschuift de focus van de ontwikkelingssamenwerking naar de instabiele regio’s West-Afrika/Sahel, de Hoorn van Afrika, het Midden-Oosten en Noord-Afrika, voor de aanpak van grondoorzaken van armoede, migratie, terreur en klimaatverandering. Er gaat jaarlijks 60 miljoen euro extra voor nieuwe investeringen in onderwijs, werk, jeugd en vrouwen en er komt jaarlijks 290 miljoen euro extra voor noodhulp, opvang van vluchtelingen in de regio’s van herkomst. Er komen nieuwe programma’s voor (beroeps)onderwijs, werkgelegenheid en rechten van vrouwen en meisjes in de focusregio’s, de bestaande inzet op het gebied van voedsel/landbouw, water en gezondheid wordt sterker gericht op de focusregio’s en de noodhulp en actieve humanitaire diplomatie worden uitgebreid. Daarnaast wil de regering in de focusregio’s meer aandacht voor psychosociale zorg voor mensen die ernstige trauma’s hebben opgelopen. Dat zijn allemaal mooie woorden, maar het niet willen terughalen van Nederlandse kalifaatkinderen past niet in dat beleid. Er worden miljoenen geïnvesteerd in perspectieven voor de jeugd in het Midden-Oosten, maar Nederlandse kinderen die daar onschuldig zitten moeten dan maar zelf zien hoe ze zich weten te redden. Dit notabene terwijl de regering beweert zich in te zetten voor de zwaksten; vrouwen en kinderen. De moeders van kalifaatkinderen en de kinderen zelf worden ten prooi van seksueel geweld, uitbuiting en ruilhandel aan hun lot overgelaten? Als de Nederlandse regering het – zoals de premier zei – te gevaarlijk vindt deze 175 kindertjes en hun moeders uit dat gebied te halen, hoe wil ze dan de GBVS en de BHOS omzetten?

Raad voor de Kinderbescherming: “Voor elk kind een terugkeerplan”

In de krant “Trouw” vertelde de Raad voor de Kinderbescherming begin Juli, “dat voor elk kind van een Nederlandse IS-strijder die nog in Syrië is, al een terugkeerplan klaarligt”. Tenminste, voor elk kind van wie de Raad voor de Kinderbescherming van het bestaan af weet. Eind Juni al zeiden de experts en juristen Willem van Genugten, Bibi van Ginkel en Christophe Paulussen van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht (KNVIR) in de “Volkskrant”: “Juist het tijdig terughalen van kinderen van IS-strijders dient ons veiligheidsbelang op de lange termijn”. Paulussen publiceerde al in 2016 een papier waarin staat hoe men op een effectieve manier kan reageren op het FTF-fenomeen op basis van mensenrechten: “Repressing the Foreign Fighters Phenomenon and Terrorism in Western Europe: Towards an Effective Response Based on Human Rights”. Bibi van Ginkel is expert op het gebied van het tegengaan van gewelddadig extremisme en radicalisering, en Emeritus-Hoogleraar internationaal Recht, Van Genugten, vindt dat er in de juridische aanpak van mondiale vraagstukken wel degelijk vooruitgang wordt geboekt. Dus waarschijnlijk waren de opmerkingen van de meestal erg zwijgzame Minister Grapperhaus in mei dus een bewust gekozen proefballonnetje. En Grapperhaus zelf is welliswaar een fervente tegenstander van de “radicale islam” maar vraagt zich in zijn pamflet “Rafels aan de rechtsstaat” van 2016 af waarom mensen nog gevraagd worden een samenleving te respecteren als ze rechteloos zijn en geen enkele bescherming hebben van zoiets als een rechtsstaat. In ditzelfde “Rafels aan de rechtsstaat” gaat hij in op de maatschappij ontwrichtende sociale ongelijkheden. Grapperhaus‘handschrift vindt men dan ook terug in de GBVS. Deze wijst weliswaar op de terroristische dreiging en het jihadistisch gedachtegoed van “Foreign Terrorist Fighters”, maar wil dat men zich gericht bezighoudt met het aanpakken van grondoorzaken van onveiligheid en het bevorderen van “human security”, met nadruk tegen de voedingsbodem voor radicalisering en gewelddadig extremisme: discriminatie, sociaaleconomische achterstelling en de daarbij horende sociaal-psychologische problemen. De GBVS maakt de resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid tot – letterlijk – “onlosmakelijk onderdeel”. Deze strategie onderstreept ook expliciet het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, het internationaal recht en de democratische kernwaarden waarop de rechtstaat is gebouwd. Het is dus aan te nemen dat binnenkort in plaats van “Kalifaatkinderen” van “Child returnees” gesproken wordt, wiens terugkeer in het belang van de nationale veiligheid is.

Opvang, scholing, traumabehandeling en veiligheidsmaatregelen

Volgens het bericht van de “Volkskrant” hebben Nederlandse gemeenten samen met de Raad voor de Kinderbescherming inmiddels al het verzoek gekregen om voor ieder Nederlands kind in Syrië of Irak een terugkeerplan te maken waarbij aan opvang, scholing, traumabehandeling en veiligheidsmaatregelen gedacht wordt. Aan praktische zaken die met terugkeer zijn gemoeid wordt dus al hardop nagedacht, er ligt een plan klaar voor Nederland, maar daarmee zijn die kinderen en hun moeders nog niet hier. Veel organisaties die de capaciteiten en de kennis hebben om deze mensen op te vangen zijn stil gebleven, waarschijnlijk om geen verlies aan donaties te lijden of omdat ze bang voor een imageverlies waren”. Het thema blijft gevoelig. Die vrouwen en kinderen moeten in het conflictgebied eerst opgevangen worden in een veilige omgeving waar ze op hun terugkeer naar Nederland worden voorbereid, een voor een of in groepjes. De meeste vrouwen en kinderen verblijven in een gebied waar op dit moment maandelijks nog gemiddeld 400 geweldincidenten plaatsvinden. Daar zal de Nederlandse regering geen ambtenaren naar toesturen. Er is veel samenwerking met lokale autoriteiten nodig, en de bal moet laag gehouden worden, anders worden deze vrouwen en kinderen plotseling weer interessant voor ontvoeringen. Wie dat gaat doen is niet duidelijk. En er zit ook een prijskaartje aan. Maar de bedoelingen met de jaarlijks 60 miljoen euro extra voor investeringen in toekomstperspectieven van jeugd, jongeren en vrouwen in het Midden-Oosten worden daarmee wel oprechter.